Geplaatst op

Een bekertje water

Een bekertje water

Yara (18) verzorgt samen met haar pleegmoeder Anna een college voor psychologiestudenten. Ze vertellen over de diagnose FAS die Yara kreeg toen zij 12 was en hoe dit hun wereld op zijn kop zette. Een verhaal over niet anders maar normaal willen zijn.

Pleegmoeder Anna vertelt over het strenge regiem dat er thuis heerst: “Precies zeven minuten om van school naar huis te komen. Was ze één minuut te laat? Dan moest ze het uitleggen waarom. En ik checkte het verhaal om er zeker van te zijn dat ze niet zomaar iets verzon. Het voelt voor andere ouders bijna militair.”  Doordat Yara precies weet wat ze moet doen, raakt ze niet verdwaald. Als ze afwijkt van haar routine weet ze niet meer waar ze het spoor moet oppakken. Het klinkt tegenstrijdig, maar de strenge regels gaven Yara een deel van vrijheid terug. Door de regels kan ze nu bijvoorbeeld alleen naar school.

Yara vertelt over de emoties waar ze geen vat op heeft. Ze vliegen alle kanten op. Een onmiskenbare glimlach van blijdschap, emmers vol tranen van verdriet of een wervelwind van boosheid. Zal waarschijnlijk ook wel iets met FAS te maken hebben. Het enige wat pleegmoeder Anna kan doen is de wervelwind laten uitrazen, al maakt die nog zo veel vazen kapot.

De emoties zitten ook hoog bij pleegmoeder Anna tijdens het college. Als ze vertelt over het onbegrip voor Yara’s diagnose schiet ze vol. Continue hebben zij het gevecht moeten aangaan met hulpverlening. Yara schuift haar moeder een bekertje water toe en houdt haar moeder in gaten. Bij elke overslag in haar stem kijkt Yara op naar Anna. En elke keer antwoord haar moeder dat het oké is.

Langzaam wordt Yara wat minder zenuwachtig tijdens het college. Haar antwoorden worden langer, haar blikken hoger en haar zenuwen minder. Ze vertelt over het contact met haar biologische ouders. Over haar vader die alle verloren jaren wil compenseren met dure cadeaus. Over haar moeder die haar alcoholgebruik tijdens de zwangerschap nu plots ontkent. Over haar tijd in een woongroep die eindigden met Yara weer thuis bij haar pleegouders.

Als de impulsiviteit en ongeremdheid worden besproken zegt Yara: “Nou dat heb ik dus helemaal niet”. Ook als de geheugen- en concentratieproblemen aan de orde komen: “Merk ik dus helemaal niets van”. Een verstoorde prikkelverwerking, “Nee hoor. Nooit last van gehad”.  Haar gegiechel verspreid zich door de stille zaal. Anna kijkt geamuseerd naar haar dochter. 

Als Yara de zaal in kijkt, wil ze nog een ding zeggen tegen de studenten: “Als ik geen FAS had, dan had ik gewoon de havo kunnen doen!”

Geschreven door: Lune van den Berg, medewerker van het FAS-project.

FAS2025VI wordt mede mogelijk gemaakt door het Oranje fondsKansfondshet Gehandicapte Kind, Stichting Boschhuysen en de Janivo Stichting.

Geplaatst op

Huize Kikkerdril

Kikkerdril

Waarom zou je als pleegouder een gezinshuis willen beginnen? Het werk en de situatie zijn toch min of meer hetzelfde? In beide gevallen vang je kinderen op en zorg je voor rust en structuur in hun leven. Toch begon pleegmoeder Esther afgelopen jaar een gezinshuis. Het was voor haar de manier om meer kinderen een fijn thuis te bieden.

Jasmijn was negen maanden toen ze bij Esther kwam wonen. Inmiddels is ze bijna dertien en heeft ze gezelschap gekregen van twee broertjes en een zusje. Acht jaar geleden kwam de toen tweejarige Damian bij hun wonen. Vorig jaar kwam David direct na de geboorte erbij. Het huis raakte helemaal vol toen dit jaar Deyenna direct na haar geboorte ook nog een plekje zocht en vond bij Esther.

Al die jaren woonde Esther in een kleine bungalow op een vakantiepark. Een groot deel van de tijd leefden ze buiten met de dieren om het huis en in het bos aan de andere kant van de weg. Soms ving ze ook pleeghonden, geiten, lammetjes, konijnen, kippen en katten op.

De zorg voor de kinderen deed ze grotendeels alleen. Ze kreeg voor de kinderen een pleegzorgvergoeding en ontving bijstand van de gemeente. Als er iets stuk was in het huis moest ze vrienden vragen om te helpen. Als de wasmachine er mee ophield, werd er op marktplaats een goedkoop exemplaar gezocht. Tijd voor ziek zijn was er niet.

Elke keer als er een kindje bij kwam, werd er in de kleine bungalow weer een kamertje in tweeën gesplitst. Haar eigen slaapkamer deelde ze met een baby. Geld om goede hulp in te schakelen was er niet. Vrienden vonden het te uitdagend om de kinderen een weekend of een dag op te vangen. En de kinderen kwamen overprikkeld weer thuis.

Maar waarom elke keer weer kindje opvangen als het huis al zo vol was? Omdat Esther vond dat ze het kon. Omdat ze de behoefte had aan de uitdaging om voor meer kinderen te zorgen. Om iets op de bouwen en uit te breiden. Ze wilde niet langer als bijstandspleegmoeder vastzitten in dezelfde situatie. Ze had de ambitie om te professionaliseren.

Als pleegouder ben je er om voor het kind te zorgen. Maar de bevoegdheid en het gezag liggen bij pleegzorg. Veel pleegouders voelen zich niet voor vol aangezien door professionals. Elke keer als er een medewerker op bezoek kwam gedroegen de kinderen zich voorbeeldig. Werd problematiek van de kinderen niet overdreven? Iets strenger aanpakken misschien? Esther krijgt van pleegzorg meerdere keren geen toestemming voor een uitbreiding.

De enige oplossing: zelf professional worden en een gezinshuis starten. Als gezinshuisouder ben je in dienst bij een zorginstelling en krijg je de ruimte om na werktijd professionele hulp in te huren. Het speelveld wordt gelijkgetrokken. En de vergoeding ook. Esther sloot zich aan bij de zorgorganisatie ‘de Zorgmuiters’.  Zij hadden het vertrouwen in haar dat ze heel goed in staat is professionele hulp te bieden aan de kinderen en tegelijk een liefhebbende ouder te zijn.

Natuurlijk zorgde de professionalisering voor extra bijscholing en administratie. Maar Esther had het er graag voor over.  Het bos dat steeds donkerder werd, kon ze eindelijk ontvluchten. Verhuizen naar een volwassen huis in een echte straat met een naambordje op de deur: ‘Huize Kikkerdril’.

Geschreven door: Allard de Witte

FAS2025VI wordt mede mogelijk gemaakt door het Oranje fondsKansfondshet Gehandicapte Kind, Stichting Boschhuysen en de Janivo Stichting.

Geplaatst op

Niet teveel vragen

Niet teveel vragen 

Nieuw maatje Johanna vertelt over de start van het maatjesproject

Maatje zijn is iets waar ik trots op ben, maar er komt veel bij kijken. De kinderen maken een ontwikkeling mee waar jij deel van mag uitmaken. Best spannend eigenlijk. Zeker als je nagaat hoe anders de ontwikkeling van iemand met Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) is. Het ene moment denk je precies te weten hoe iemand in elkaar steekt, om er vervolgens achter te komen dat het toch anders werkt.

Afgelopen zondag was ik bij de startdag van het maatjesproject. Ik had een handleiding verwacht, met als inhoud: ‘Hoe ga ik om met een kind met FAS?’. Ik kwam er al snel achter dat, net als met alles in het leven, er niet voor ieder scenario een handleiding bestaat. Zo ook niet voor het omgaan met kinderen met FAS. Wat er wel bestaat, zijn handvatten om ze zo goed mogelijk te kunnen helpen.

Wat kan je dan het beste doen als maatje? Op het moment dat je samen bent, wil je voor het kind een veilige haven zijn.  Een vriend of vriendin met wie ze kunnen lachen en bij wie ze hun verhaal kwijt kunnen.

Zelf word ik het maatje van Myrthe. Ik wil voor haar graag een vriendin zijn en haar het liefst als ‘normaal’ behandelen. Al zitten daar wel belangrijke voorwaardes aan, ontdekte ik op de startdag. Pleegmoeder Lotte zei bijvoorbeeld: “Je kunt niet op het laatste moment afzeggen. Of toch iets anders doen tijdens je bezoek. Zo werkt het niet bij een kind met FAS”.

Wat ik ook niet wist voor de startdag, is dat iemand met FAS vaak sociaal gewenst gedrag vertoont. Iedereen is vast wel eens met tegenzin naar een verjaardag van een familielid gegaan. Een geforceerd lachje op je gezicht, een beetje meekletsen, maar na een paar uurtjes kan jij weg met een opgelucht gevoel. Daarna heb jij geen last meer van die tegenzin, het geforceerde lachje verdwijnt van je gezicht. Je hoeft niet meer te doen alsof. Voor iemand met FAS is dat anders. Zij voelen geen opluchting. Zij zijn juist overprikkeld, al helemaal als er te veel van ze is gevraagd.

Als maatje wil ik graag luisteren naar Myrthe zelf. Niet te veel vragen, zeker niet te veel achter elkaar. Daarom is het belangrijk om het met haar opa en oma te hebben over welk gedrag ze vertoont als ze overprikkeld raakt. Dan weet ik wanneer het teveel wordt. Dan kan ik helpen.

Ik raad elk maatje aan om naar de startdag te gaan, want je krijgt er zoveel nieuwe inzichten. Verder is het ook gewoon hartstikke gezellig. Je hebt gelijk een netwerk om je heen met andere maatjes, die je kunnen helpen en ondersteunen.

Wie weet kunnen we samen onze eigen handleiding maken!

Geschreven door: Johanna Silvius, maatje

FAS2025VI wordt mede mogelijk gemaakt door het Oranje fondsKansfondshet Gehandicapte Kind, Stichting Boschhuysen en de Janivo Stichting.